Knuffelfarms = dierenmishandeling. Bezoek geen knuffelfarms!

Belangrijke rechtszaak met als inzet de export van skeletten van gefokte leeuwen in Zuid-Afrika

Stampersgat, 28 april 2026

Op dit moment vindt er een belangrijke rechtszaak plaats in Zuid-Afrika. Met als inzet de export van skeletten van gefokte leeuwen.

In Zuid-Afrika worden al decennialang op grote schaal leeuwen gefokt. De dieren worden eerst als welp ingezet in het toerisme. Zo kunnen betalende vrijwilligers leeuwenwelpjes de melkfles geven en worden de dieren op latere leeftijd ingezet voor wandelsafari’s. Wanneer de leeuwen hiervoor te oud (te gevaarlijk) worden, eindigen ze veelal in een hok. Wachtend op een jager die ze afschiet in de befaamde canned hunting industrie. Het skelet van het dier wordt geëxporteerd naar Azië waar het verwerkt wordt in traditionele Chinese medicijnen (TCM) als vervanging van de tijger. Aldus onderzoeken zijn er tussen 2008 en 2016, meer dan 6.000 leeuwenskeletten geëxporteerd naar Zuidoost-Azië.

In 2019 oordeelde een rechtbank in Zuid-Afrika dat de gestelde exportquota voor leeuwenbotten "onwettig en grondwettelijk ongeldig" waren, mede omdat er geen rekening was gehouden met het dierenwelzijn. De gefokte leeuwen leiden veelal een erbarmelijk bestaan. Sindsdien heeft Zuid-Afrika geen exportquotum voor leeuwenbotten meer ingesteld waardoor de export feitelijk onmogelijk is geworden. In 2024 gingen de leeuwenfokkers (verenigd in Sapa) daarop naar de rechter. Om het Ministerie te dwingen om het ​​quotum te herstellen. Hun insteek; door geen quotum te hebben, wordt hun constitutioneel recht om handel te drijven, geweld aangedaan. De leeuwenfokkers zitten intussen met een grote hoeveelheid leeuwenskeletten die ze niet kunnen verhandelen. Hoewel Zuid-Afrika heeft aangekondigd te willen stoppen met de hele fokindustrie van leeuwen, is deze nog volop actief. En groeit dus ook het aantal leeuwenskeletten. Kortom; het gaat om veel geld.

 

Enkele dierenorganisaties besloten vervolgens ook naar de rechter te stappen. Hun insteek is dat zij in de rechtszaak aangaande het quotum, mee zouden moeten worden genomen als belanghebbenden. Zij zijn tegen de export. Hun argumenten zijn niet gericht op administratieve rechtvaardigheid of economische schade, maar op de legitimiteit van de handel in leeuwenbotten zelf – de ethische implicaties, de ecologische gevolgen en de verenigbaarheid ervan met de grondwet die de staat verplicht tot natuurbescherming en, in toenemende mate, tot overwegingen van dierenwelzijn.

En recent oordeelde de rechtbank dat deze dierenorganisaties (NSPCA en EMS Foundation) toegelaten moeten worden tot deze zaak. En dat besluit zou wel eens bepalend kunnen zijn.

De handel in leeuwenbotten vormt de kern van een langdurige tegenstrijdigheid in het Zuid-Afrikaanse natuurbeschermingsbeleid. Enerzijds heeft de overheid haar intentie kenbaar gemaakt om de fokkerij van leeuwen in gevangenschap, af te bouwen. Anderzijds heeft ze de regelgeving die de winstgevendheid ervan ooit mogelijk maakte, intact gelaten. Het resultaat is een industrie die noch volledig is toegestaan, noch formeel verboden is. Het ontbreken van quota sinds 2019, heeft de legale export effectief stopgezet zonder de onderliggende beleidsvraag op te lossen. Bij gebrek aan duidelijk beleid worden de rechtbanken het toneel waarop onopgeloste beslissingen vanuit de overheid, worden aangevochten.

Aldus opiniemakers is dit aldus een zeer belangrijk proces;

Courts are not designed to make policy. But they are increasingly required to adjudicate its absence. The involvement of civil society ensures that the court will hear a broader range of arguments, not only about legality, but also about legitimacy. It raises the stakes of the case, transforming it from a technical dispute into a test of how South Africa understands its obligations to the natural world.

This case will not, on its own, determine the future of the captive lion industry. But it may do something more important: force clarity where there has been equivocation. It may compel the government to articulate a coherent position. It may test whether constitutional environmental rights can meaningfully constrain exploitative wildlife practices. And it may signal a shift in how conservation itself is framed – from a model centred on use, to one that must increasingly account for ethics.

At stake is not simply whether lion bones may be exported. It is whether South Africa will continue to treat its wildlife as a commodity – or begin, finally, to reckon with the limits of doing so.